Op 17 april 2026 werd mijn nieuwe boek “De kunst van het wankelen of het instabiele museum” met een symposium gepresenteerd in het Centraal Museum in Utrecht. Dit is de speech die ik toen uitsprak. Als je meer wilt weten over het boek klik dan hier.

Op het terrein van Kamp Westerbork staat een vervallen houten huis in een immense glazen kas. Alsof het zelf een museumstuk is geworden.

Het is het huis van kampcommandant Albert Gemmeker. Vanuit zijn serre keek hij uit over het kamp. Hij zag er begin jaren veertig de treinen naar Auschwitz vertrekken.

Samen met Bertien Minco van Herinneringscentrum Kamp Westerbork stond ik in het voorjaar van 2024 in dat huis, in die enorme glazen vitrine en ik zag het.  Ik wil niet zeggen dat ik het begreep, maar ik zag het. De serre, de scheefgezakte lampen, de schaduwen van potten en pannen op de beduimelde wanden in de keuken. Het uitzicht.

Musea beginnen bij het kijken. Bij de directe ervaring, de verwondering. Musea halen een object uit de wereld, bevrijden het van zijn functie, zetten het stil. En juist op de drempel tussen functie en betekenis begint de bezoeker werkelijk te zien. Niet alleen het object zelf, maar de context eromheen, de verhalen die alles met elkaar verbinden.

Toen ik ruim drie jaar geleden vertrok als directeur van Rijksmuseum Twenthe had ik de wens om eindelijk door te dringen tot die intrigerende kern van wat musea op hun best kunnen bieden. Tegelijk zag ik dat maatschappelijke en politieke vragen het functioneren van musea steeds meer beïnvloeden. Ik ben toen mijn podcast begonnen. Ik begon te graven en in diezelfde tijd begon de grond steeds sneller te schuiven. De wereld zoals we die kenden wankelt en musea wankelen mee.

[tekst gaat door na video]

Een van de mensen die ik interviewde was Rein Wolfs van het Stedelijk Museum. Hij vertelde me dat hij kunstgeschiedenis is gaan studeren omdat hij meer wilde weten over wat hij noemde “de geheimen van de wereld”. Hij zocht geen verklaring maar een omgang met wat hij niet begreep. In die omschrijving herkende ik mijn eigen redenen. Omgang vinden met de geheimen van de wereld — dat geldt voor alles wat het museum toont. Een versleten schoen van een Romeinse soldaat. Een glanzende jurk uit een scheepswrak. Dat houten huis in een grote glazen kas. Die objecten dragen iets wat woorden niet precies kunnen vangen. Filosofie met plaatjes noemde Tiziana Nespoli dat ooit. Met haar schreef ik meer dan twintig jaar geleden Het Gedroomde Museum.

Maar musea zijn de afgelopen decennia ook meegesleurd in een logica die haaks staat op die kern. Vanaf de jaren negentig zijn de meeste musea verzelfstandigd. Dat heeft veel gebracht. Maar er is ook iets verloren gegaan. Bezoekcijfers werden de maatstaf. Blockbusters volgden elkaar op. Meta Knol, die we later vanmiddag zullen horen, had het in mijn gesprek met haar over de klankkast die uit ons leven is verdwenen: de ruimte voor resonantie, voor onvoorspelbaarheid, voor de pure ervaring. Musea die een tentoonstellingsmachine worden, zegt ze, persen die vrije ruimte er al heel snel uit.

Musea staan daarin niet alleen. Wat hen is overkomen is een symptoom van iets groters. De crises van onze tijd — klimaatontwrichting, democratische erosie, polarisatie, de burn-outgolf — hebben één gemeenschappelijke wortel: de dwang tot versnelling en optimalisering. Alles moet sneller, efficiënter. Tijd is geld. Aandacht is geld. En nu wordt zelfs ons denken voorbijgestreefd door systemen die sneller zijn dan wij. We verbranden niet alleen olie en gas. We verbranden onszelf. Het heet niet voor niets een burn-out.

Hannah Arendt beschreef al in 1958 hoe economische logica het publieke leven uitholt. Wat mensen tot burgers maakt — samen verschijnen, spreken, iets nieuws beginnen — wordt verdrongen door produceren, consumeren en weggooien. Wat we missen, zei Arendt, is ruimte om te verschijnen. Ruimte om samen iets nieuws te beginnen. Niet precies weten wat. Gewoon beginnen. En dié ruimte — dat is wat musea kunnen zijn. Maar daarvoor moeten ze afrekenen met een deel van hun eigen erfenis.

Manfred Sellink wees me erop dat het museum van de achttiende, negentiende en een groot deel van de twintigste eeuw zich minder met de twijfel bezighield dan met de antwoorden. Het waren normerende instellingen. Manfred gelooft voor musea in een andere traditie: niet die van de verlichting maar van het zestiende-eeuwse humanisme van Erasmus en Montaigne. Een eeuw van twijfel, van zoeken, van vragen stellen zonder definitieve antwoorden. En verder terug: het Griekse mouseion — de plek van debat en verwondering, niet van antwoorden. Emile Schrijver van het Joods Museum noemt dat de erkenning van de complexiteit: dat twee tegenstrijdige waarheden tegelijk kunnen kloppen, en dat de ruimte om dat naast elkaar te laten bestaan kostbaarder is dan welke stellingname ook.

Dit, beste mensen, is de kern van wat musea te bieden hebben. Niet het activisme, want ook dat is een vorm van versnellen, van weten, van normeren. Maar de aarzeling. De twijfel. De bereidheid om met het raadsel te leven. Rein Wolfs, Margriet Schavemaker, Bart Rutten, Manfred Sellink, Meta Knol en al die anderen, ze gebruiken allemaal andere woorden maar ze zeggen hetzelfde: het museum als een plek die vertraagt waar alles versnelt, en die openlaat wat het systeem wil beantwoorden.

Terug naar dat houten huis in Drenthe. Naar de serre waar de kampcommandant de treinen zag vertrekken. Ik stond daar en ik zag het, vóórdat ik het begreep. Vóórdat ik wist wat ik ervan moest vinden.

Dat is de museale ervaring in haar meest pure vorm. Het is precies wat onze tijd ons heeft afgenomen. De ruimte om niet meteen te weten. De stilte vóór het oordeel. In een wereld die ons denken wil versnellen en onze aandacht wil kopen is wankelen, aarzelen, niet weten en vertragen de meest radicale daad die een instituut kan doen. Niet normeren maar twijfelen.

Ik zie het museum als de oever langs een snelstromende rivier. Een plek om naast de stroom te staan, adem te halen, te zien wat er voorbijdrijft. Niet om te stoppen, maar om iets nieuws te beginnen. En precies dat willen we vanmiddag doen. Niet beantwoorden. Maar beginnen.