“Ik ben blij dat je van buiten de archeologie komt” was een van de eerste dingen die Leonie van der Voort zei. Leonie was directeur van Cascade. In de archeologie vertegenwoordigde zij wat men vaak ‘verstoorders’ noemde. Dat woord alleen al gaf de spanning binnen de sector goed weer. Liever wilden zij ‘initiatiefnemers’ heten. Verstoorders maken wat kapot, initiatiefnemers beginnen iets nieuws.
Het was al het tiende van de dertig gesprekken die ik zou voeren over de vraag wat nou eigenlijk de problemen in de archeologie waren, en hoe een onderzoeksplatform en een innovatiefonds daar verbetering in zouden kunnen brengen. Dat was de vraag die ik als kwartiermaker van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed had gekregen. Ik had het gevoel dat werkelijk iedereen met een totaal andere analyse kwam. De een vertelde dat het aan de gemeentes lag, die onvoldoende kennis hadden, een volgende wees naar de archeologische bedrijven die slechte onderzoeken afleverden, en weer een ander vond dat de universiteiten de Nederlandse archeologie links lieten liggen. In mijn rapportage telde ik later vijftien verschillende problemen. Iedereen gaf een ander de schuld. Leonie van der Voort was niet de enige die blij was dat ik van buiten kwam.
Niemand had schuld
Half november 2023 waren de Reuvensdagen, het jaarlijkse congres waar alle kikkers in de archeologische kruiwagen elkaar ontmoeten. Dat was mijn kans. Iedereen die maar wilde stelde ik dezelfde vragen als in de gesprekken daarvoor, en iedereen confronteerde ik met wat ik van een ander had gehoord. Langzamerhand groeide uit al die tegenstellingen een beeld van de onderliggende oorzaken. Die vijftien problemen bleken er uiteindelijk twee. Niemand had schuld; het zat in de manier waarop we in Nederland de archeologie hadden georganiseerd. In de eerste jaren van deze eeuw werd de archeologie gedecentraliseerd en aan marktwerking blootgesteld, met als principe ‘de verstoorder betaalt’. Dat leidde tot een procesmatige aanpak met een heldere verdeling van taken en verantwoordelijkheden, maar ook tot een diepgaande verzuiling doordat de belangen sterk uiteenliepen. En omdat die marktwerking vooral oog had voor de kosten, de initiatiefnemers moesten immers de rekening betalen, ontstond er een race to the bottom voor de prijs en de kwaliteit van het onderzoek. Eigenlijk was het simpel: het probleem zat in de organisatie van het veld.
Van onderzoeksplatform naar innovatieplatform
In die analyse kon iedereen zich vinden, temeer omdat de staatssecretaris van OCW had aangekondigd geld te willen uittrekken voor de versterking van de archeologie. Een belofte die meer dan welkom was in een sector die door iedereen schraal werd genoemd. De structuur konden we niet veranderen. Wat wel kon was er iets overheen leggen dat op beide problemen ingreep. Tegen de verzuiling een platform mensen uit alle geledingen bij elkaar brengt en dat werkt als makelaar. Tegen de race to the bottom een fonds dat niet het reguliere onderzoek betaalt maar de vernieuwing mogelijk maakt. Het onderzoeksplatform werd een innovatieplatform.
Daarna kon het bouwen beginnen. Met de programmaraad bedacht ik de criteria voor wat een vernieuwing mag heten, schreef het implementatieplan, stelde de subsidieregeling op en organiseerde de eerste ronde. Elk project dat geld krijgt moet antwoord geven op de vraag wat we ervan leren voor de volgende keer.
Niets nieuws oprichten
Maar er lag nog een andere vraag. Wie gaat dat platform en dat fonds definitief dragen? Waar brengen we het onder? Bij een bestaande organisatie, of richten we iets nieuws op? Dat laatste wilden we uit alle macht voorkomen, want er waren in de archeologie al genoeg min of meer zieltogende organisaties. Veel liever hielpen we een bestaande zich te professionaliseren en zo een bredere rol op zich te nemen.
We vroegen het de Stichting Reuvens, een vooral op vrijwilligers steunende stichting die het jaarlijkse archeologiecongres organiseerde. Voor hen was het de kans om een bureau met een directeur op te bouwen en het bestuur te versterken. Zo sneed het mes aan twee kanten: wij kregen een professionele organisatie voor het innovatieplatform en het innovatiefonds, en de stichting kon zich professionaliseren, wat ook het congres ten goede kwam. We vergrootten de massa. Medio 2025 kon de nieuwe directeur beginnen. In datzelfde jaar werd de stichting benaderd om ook de Nationale Archeologiedagen te organiseren. De versterkte Stichting Reuvens bleek een aantrekkelijke partner.
Een plus een is vier
In 2026 was ik opnieuw kwartiermaker, nu om met geld van OCW het Groot Reuvensoverleg te laten uitgroeien tot de sectorvertegenwoordiging voor álle spelers in het archeologische veld. Drie jaar na de start in het najaar van 2023 is de sector een innovatieplatform, een innovatiefonds, een sectorvertegenwoordiging én een professionele koepel rijker. Een plus een is vier. Nu is het aan de sector zelf.

Bovenste foto: Caspar Reuvens was een Nederlandse buitengewoon hoogleraar in de archeologie aan de Rijksuniversiteit Leiden en eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden. Onderste foto: Reuvens aan het werk bij het onderzoek naar de resten van Forum Hadriani. De opgraving bij Voorburg wordt gezien als een van de eerste professionele wereldwijd.