Waarom ik ‘De kunst van het wankelen’ schreef.

Ik loop al heel lang met een vraag rond, die ik nooit goed wist te beantwoorden. Het gebeurt nog steeds: ik stap een museum binnen en loop mijn ogen achterna. Geen haast, geen ruis, geen buitenwereld die zich opdringt. Ik blijf staan bij details waar ik normaal aan voorbij zou lopen en merk dat ik aandachtiger, rustiger kijk en ervaar. En vaak denk ik dan: wat is het geheim van deze plek?

Jarenlang bleef het bij die fascinatie. Tot er een tweede vraag bijkwam. Concreter misschien dan de eerste: Wat is het museum waard in onze wankele tijd? Een tijd waarin politieke verhoudingen gespannen zijn en ecosystemen onder druk staan. Een tijd ook waarin technologie onze ideeën oprekt over waar en onwaar, echt en onecht. Wat kan een museum nog betekenen, behalve het tonen van mooie dingen, als de wereld instabiel is?

Met die vragen begon ik een podcast, De Museoloog, waarin ik spreek met directeuren, conservatoren en makers. Niet over idealen op grote hoogte, maar over dilemma’s in de praktijk: waar loop je tegenaan, waar geloof je in, welke toekomst zie je voor het museum? Gaandeweg merkte ik dat die gesprekken aan elkaar haakten. Steeds opnieuw kwam dezelfde spanning terug: musea staan midden in de samenleving en juist daarom dreigen ze de volgende arena voor polarisatie te worden.

Uit die spanning ontstond mijn boek De kunst van het wankelen. Niet als poging om het museum opnieuw uit te vinden met één oplossing of één model. Maar om scherper te krijgen wat een museum kan zijn wanneer vanzelfsprekendheden wegvallen en vertrouwen onder druk staat. Want in tijden van klimaatcrisis, oorlog en ongelijkheid, waarin nepnieuws en scherpslijperij het publieke gesprek verharden, groeit de neiging om in kampen te denken. Juist dan heb je plekken nodig waar je hoofd mag dwalen en waar je niet meteen hoeft te kiezen voor het snelle gelijk.

Daarom pleit ik niet voor een museum dat zich activistisch profileert, maar dat geëngageerd is. Een plek die ruimte maakt voor kijken, aarzelen en een gesprek dat niet gewonnen hoeft te worden. Dat vráágt iets van het museum zelf: durven niet zeker te weten en durven te wankelen, niet als zwakte, maar om vooruit te komen.

De kunst van het wankelen is opgebouwd in drie delen.

In deel 1, De verwondering, begin ik bij het museum als ervaring. Waarom verzamelen we? Waarom halen we objecten uit de wereld en zetten ze op een sokkel of in een vitrine? Wat gebeurt er in dat eerste moment van kijken, nog vóór de uitleg? Ik ga terug naar het klassieke begin: naar het mouseion als plek van kennis, ritueel en debat, en naar het mechanisme waarmee musea aandacht organiseren.

In deel 2, De vooruitgang, kijk ik naar de systemen die we de afgelopen eeuwen hebben gebouwd: wetenschap, techniek, instituties, economie, managementlogica. De belofte van vooruitgang bracht ons veel, maar de permanente optimalisatie maakt systemen ook broos. Musea zijn meegezogen in dezelfde logica van verzelfstandiging, rendementsdenken en “relevantie” als permanente toetssteen. Daardoor voelen ze de voortdurende spanning tussen publieke opdracht en bedrijfsmatige reflex.

In deel 3, Perspectief, komt de sociale werkelijkheid van nu naar voren. Hoe groepen tegenover elkaar zijn komen te staan, hoe wanhoop werkt, maar ook waarom we niet af mogen haken. Voor wie werkt in musea kan dat uitputtend zijn. Maar het is ook de grond waarop een ander museum kan worden gebouwd. Hoop is het serieus nemen van de mogelijkheid dat het anders kan, en handelen omdat dat ertoe doet.

De kern is simpel: we leven in een tijd waarin maatschappelijke, economische en ecologische systemen veerkracht verliezen en bij kantelpunten abrupt kunnen omslaan. Juist daarom hebben we plekken nodig die niet draaien om het snelle gelijk, maar om rust, overzicht en heroriëntatie. Het museum als plek waar we niet alleen kijken, maar ook vertragen, reflecteren, denken en spreken en waar we al wankelend ruimte maken voor een andere toekomst.

Ik eindig het boek daarom met vragen. Niet als checklist, maar als startschot. Prompts die helpen om in de eigen context keuzes te maken, experimenten te starten en de rol van het museum concreet te maken. Waarover gaat dit museum? Wie is ‘wij’? Hoeveel ruimte geef je werkelijk? Hoe beweeg je mee zonder jezelf te verliezen?

De kunst van het wankelen is een museaal handboek voor een ontwrichte tijd. Het is geschreven voor iedereen die in of rond musea werkt (directie, collectie, educatie, publiek, toezicht, beleid) en voor lezers die willen begrijpen waarom musea de laatste jaren zo zichtbaar zijn geworden in maatschappelijke discussies en waarom dat geen mode is, maar het symptoom van een instabiele tijd.

Bekijk hier de preview