Voor het Zuiderzeemuseum schreef ik een essay over twintig jaar hedendaagse kunst en vormgeving in dit museum van het dagelijks leven. Over hoe je mensen terughaalt uit een verdwenen wereld, en over de vraag wat zo’n museum betekent in een tijd waarin we steeds scherper tegenover elkaar staan.

Lees verder…

De rouw van Maritje Teerhuis – Hedendaagse kunst en vormgeving in het museum van het dagelijks leven

In het Zuiderzeemuseum hangen twee wandkleden. Ze lijken tijdloos. De kleuren zijn de kleuren van klederdrachten rond de Zuiderzee. Dieprode banen wisselen af met donkerblauwe, groene en zwarte stroken. De kleden zijn het resultaat van een kleuronderzoek door Renée Mennen en Stefanie van Keijsteren van Studio RENS naar de rouwdracht in vier stadjes rond de Zuiderzee. Met kleur toonden de vrouwen van toen dat ze in de rouw waren. Dat was gebonden aan vaste regels en gebruiken. De kleden verbeelden de levenslopen van echt bestaande vrouwen uit het Zuiderzeegebied. Van een van hen, Maritje Teerhuis zien we ook haar dagelijkse rouwdracht, dat ze na het overlijden van haar zoon altijd is blijven dragen.

Maritje Teerhuis leefde minder dan een eeuw geleden een ander leven dan wij in onze tijd. De wereld was kleiner, minder technisch, de dood leek dichterbij, je geloof en je herkomst dicteerden je kleding. In die kleine stedelijke gemeenschappen was veel vastgelegd.

Met hun wandkleden hebben Renée Mennen en Stefanie van Keijsteren die vrouwen van toen dichterbij gebracht. Ze hebben de tijd overbrugd. Zonder woorden vertellen de ontwerpers een menselijk verhaal in diepe kleuren. Want liefde, geboorte, dood, vreugde en rouw, is van iedereen.

Een beeld dat niet meer klopt

Het Zuiderzeemuseum gaat over dat wat verdwenen is zoals die klederdrachten, de oude vissersboten, het langzame leven waar we zo nostalgisch op terug kunnen kijken. Wie Enkhuizen binnenrijdt, met de trein of de auto, heeft het gevoel honderd jaar terug te gaan. Maar het beeld klopt niet meer, de huizen staan strak in de verf, de paardenpoep is opgeruimd, de armoede is teruggedrongen en de kindersterfte is ingedamd. Wat resteert is een romantisch beeld. Wat we nu in de stad en ook in het museum nog zien van de vergane wereld van de Zuiderzee is niet zoals het was.

De knal van 2006

Minder dan honderd jaar geleden werd de Afsluitdijk gesloten. Zo dichtbij en toch zo ver weg. Waarschijnlijk niemand die nu leeft heeft dat nog bewust meegemaakt. Voor de oudste generaties is die Zuiderzee nog een schim waarover hun ouders hen vertelden maar voor de meeste anderen is het niet meer dan een verhaal uit een geschiedenisboek, net zoiets als de tachtigjarige oorlog of de tijd van de 18e eeuwse patriotten.

De Zuiderzee verdampt in de geschiedenis en dat was al duidelijk rond de laatste eeuwwisseling toen het bezoek aan het Zuiderzeemuseum was gehalveerd, van 300.000 mensen in de hoogtijdagen tot 150.000 in 1999. Toen in 2006 een nieuwe directeur aantrad werd het roer drastisch omgegooid. Weg met dat nostalgisch terugkijken op de verleden tijd en het krimpend publiek. Het museum moest aansluiting met het heden vinden en zich richten op een artistieke, stedelijke generatie. Kunst en vormgeving zouden daarbij helpen. Het waren de hoogtijdagen van het Dutch Design dat internationaal was doorgebroken met een nadruk op eenvoud, humor, ambachtelijke eigenzinnigheid en vooral artistieke vrijheid. Die ontwerpers en ook kunstenaars zouden de nostalgische bedstedes van het Zuiderzeemuseum opschudden. Onder leiding van directeur Erik Schilp gingen ze aan de slag. Atelier van Lieshout bijvoorbeeld maakte voor de kop van de dijk van het buitenmuseum ‘Huize Organus’: een 13 meter lang fiberglas bouwwerk als een menselijk spijsverteringskanaal met vrouwelijke voortplantingsorganen. Dat werd niet door iedereen gewaardeerd.

Twee verhalen door elkaar

De breuk met het verleden van het Zuiderzeemuseum was diepgaand en schokkend voor het traditionele publiek en zeker ook voor de medewerkers en de honderden vrijwilligers. “Daarvoor kom ik hier niet” was de terugkerende reactie van veel bezoekers. Tegelijk trok het museum wel veel vertegenwoordigers van die nieuwe, stedelijk artistieke elite. Precies wat de bedoeling was. Maar het wrong want het museum vertelde twee verhalen door elkaar: dat van de laatste halve eeuw van de Zuiderzee tussen 1880 en 1932 en dat eigenzinnige verhaal van hedendaagse kunst en vormgeving. Natuurlijk werd de ontwerpers gevraagd aan te sluiten op oude ambachten en traditionele vormen en patronen, om daar inspiratie te zoeken. Er kwamen kunstwerken die daarop aansloten en goed pasten bij het erfgoed, zoals The Blue Fishvendor van Hugo Kaagman waarbij de graffitikunstenaar met sjablonen en air brush eer bewees aan de laatste bewoner van een van de huisjes. Andere ontwerpers gingen geheel hun eigen weg. Zo ontwierp Studio Job in 2006 een topzware, keramische stapeling, als een onwaarschijnlijke tulpenvaas, met bovenop een theeketel waar een gouden drank uit stroomt. Het Zuiderzeemuseum werd de speeltuin van kleine en grote ego’s. Voor een museum over de geschiedenis van het dagelijks leven kon het contrast met het verleden nauwelijks groter zijn. Niet de mens stond centraal, maar de kunstenaar.

De spiegel houdt op

Wie nu in 2026 langs al die objecten loopt kan zich niet aan de indruk onttrekken dat vooral in de eerste jaren veel kunstenaars, fotografen, vormgevers en modeontwerpers zich weliswaar qua verschijningsvorm inspireerden op het Zuiderzeeverleden maar dat ze dat nauwelijks vanuit een emotionele verbondenheid met menselijke ervaringen lieten ontstaan. Kijk bijvoorbeeld naar een op zichzelf prachtige foto uit 2012 van Hendrik Kerstens waar hij zijn dochter een uit aluminiumfolie gevouwen ‘hul’ laat opzetten. De vorm doet denken aan de Volendamse hul op een schilderij direct ernaast. Visueel rijmt het maar inhoudelijk vaak niet. Daar houdt de spiegel meestal op. Het kunstwerk staat centraal niet het verhaal. De twee meisjes op het schilderij en op de foto gaan niet zo’n diep menselijke interactie aan als de wandkleden van Studio RENS doen met de verbeelde levenslopen van twee vrouwen die echt hebben geleefd.

(Tekst gaat verder na de foto)

Water onder je voeten

De ‘reflectiecollectie’ van inmiddels meer dan 1.100 objecten in het Zuiderzeemuseum is vele malen rijker dan ik hier zou kunnen beschrijven. En de voorbeelden die ik geef doen geen recht aan de kwaliteit en het belang van de verzameling. Er zijn ook andere objecten die wel degelijk een inhoudelijke relatie met het museum en de omgeving aangaan. Nynke Koster laat je midden op het plein van het Schathuys ervaren hoe de verborgen, eeuwenoude waterkelder onder je voeten van binnen klinkt. Zittend op een bankje in een kunststof tongewelf laat ze je het druppelen van het water horen. “In de stilte van de diepe waterkelder waar het licht zich niet waagt” begint een gedicht. De ruimte onder je voeten verandert van een vergeten voorziening in een levende aanwezigheid.

De tijd is opnieuw veranderd

Dat wat we nu de reflectiecollectie noemen begon in 2006 met een grote knal. Twintig jaar later is het stof van die eerste jaren gaan liggen. Het afgelopen jaar kwam het bezoekersaantal voor het eerst sinds decennia weer boven de 300.000 mensen uit. De nieuwste merkcampagne zegt “Leef je in, leef je uit”. Het museum is beter in staat dan rond de eeuwwisseling flinke groepen mensen naar het museum te trekken. Maar het is de vraag in welke mate de reflectiecollectie daaraan heeft bijgedragen. En wat is dan de toekomst van hedendaagse kunst en vormgeving in het Zuiderzeemuseum? Immers, niet alleen de Zuiderzee is afgesloten maar ook de wereld van hedendaagse kunst en Dutch Design is ingrijpend gewijzigd.

Twintig jaar geleden ging het nog om de kunstenaar of vormgever als autonoom auteur die mensen wilde verrassen of inspireren met zijn verbeeldingen. Kunst stond niet ín de samenleving maar ernáást. Meer dan tegenwoordig ging het om het fysieke eindproduct en nauwelijks over het proces. Tegenwoordig leveren de meeste kunstenaars nadrukkelijk maatschappelijk commentaar. Werken komen steeds vaker in co-creatie tot stand en ze reflecteren niet zozeer op vormovereenkomsten maar vooral op maatschappelijke en menselijke vragen. Precies die ontwikkeling zie je terug in de evolutie van de collectie hedendaagse kunst en vormgeving van het Zuiderzeemuseum.

Het is dezelfde beweging die ook veel musea hebben gemaakt. Steeds meer musea zijn de laatste jaren transhistorisch gaan programmeren, dat is een mooi woord voor het verweven van objecten en verhalen uit verschillende tijden. In hun zoektocht naar maatschappelijke relevantie zijn musea zich steeds meer gaan richten op het heden en op wat mensen nu bezighoudt. Niet voor niets hebben diverse historische musea het label ‘historisch’ uit de naam geschrapt.

De beweging van het Zuiderzeemuseum naar hedendaagse kunst en vormgeving, vanaf 2006, kun je zien in deze context. De verhalen van de Zuiderzee vonden steeds minder weerklank en daarom zocht het museum naar een andere aansluiting op een nieuw publiek. De kritiek die je kunt hebben op de eerste jaren waarin het Zuiderzeemuseum opdrachten gaf en aankopen deed is dat veel resultaten náást de verhalen van het museum stonden en er niet mee waren verweven, maar de tijd was anders en het waren nieuwe wateren waarin het museum moest navigeren.

Het bezinksel van de tijd

Museumcollecties weerspiegelen niet alleen het onderwerp of de periode waarop ze zich richten, bijvoorbeeld 1880 tot 1932, maar ook de tijdgeest waarin ze zijn ontstaan. Museumcollecties zijn daarmee het bezinksel van de tijd, laag op laag. Ook de tijd van het Dutch Design en van de kunstenaar die naast de samenleving stond, is voorbij, en daarmee is ook de eerste periode van de reflectiecollectie voltooid verleden tijd. Net als de Zuiderzee zelf is die eerste reflectiecollectie inmiddels een echo van een voorbije periode, de hoogtijdagen van het Dutch Design. Dat is geen probleem maar een nieuwe bron: twee lagen van hetzelfde bezinksel. En daarbij, ook het Zuiderzeemuseum heeft in de afgelopen jaren diezelfde ontwikkeling van autonoom naar maatschappelijk betrokken doorgemaakt.

Dat brengt ons bij de kernvraag: welke plaats moet het tonen en verzamelen van hedendaagse kunst de komende jaren krijgen binnen het verzamel- en presentatiebeleid van het museum? En wees niet bang dat zo’n keuze over twintig jaar uit de tijd zal zijn. Een museum is als een vissersschip: naar de wind van de tijd stelt het de zeilen bij, en al varend wordt het ruim gevuld. De oprichters in de jaren tachtig zetten een koers uit, in 2006 werd die verlegd en ook nu mag het museum een nieuwe koers kiezen zonder de vorige weg te hoeven gooien.

Het verhaal dat verloren raakt

Eén van de grootste kwaliteiten van het Zuiderzeemuseum is dat het niet alleen een collectie van objecten heeft maar ook van menselijke verhalen. Veel van die verhalen en objecten zijn direct aan elkaar gerelateerd. Een prachtig verhaal is de aardappelbak uit de groentewinkel van de familie Kes op Marken. Bij de watersnoodramp van 13 en 14 januari 1916 werd de winkel verwoest en dreef de hele inventaris, met de aardappelbak erbij, van het eiland af. Alleen die aardappelbak werd teruggevonden en kreeg een plek in de nieuwe groentewinkel van de familie. Het was deze watersnood die de doorslag gaf voor de aanleg van de Afsluitdijk.

De watersnood van 1916 luidde dus het einde van de Zuiderzee in. Juist daarom verbaast het dat de aardappelbak wat achteloos in de vaste presentatie ligt. Het lijkt logisch hem daar op de grond te tonen, maar door de veelheid aan objecten, foto’s en inrichting raakt hij verloren. En dat is misschien een symptoom van een breder vraagstuk. Er worden zoveel objecten getoond en zoveel verhalen verteld dat de bezoeker zijn focus in de rondgang makkelijk kwijtraakt. In de schepenhal speelt hetzelfde: de schepen liggen als haringen in een ton, zij aan zij, en die veelheid verhindert je goed naar het enkele schip te kijken. Toch zou je dat kunnen verhelpen zonder ook maar één schip weg te halen. Met belichting, met theatrale middelen, met verhalen kun je de aandacht richten op het individuele schip en de menselijke verhalen die eraan vastzitten.

De vraag om richting

Het opdrachtgeverschap en het verzamelen zijn de afgelopen jaren geleidelijk verschoven, van het autonome object naar werk dat dichter bij de verhalen van het Zuiderzeemuseum zelf staat, werk met een maatschappelijke of persoonlijke lading. Tien jaar geleden koos het museum er bovendien voor om het Zuiderzeegebied weer echt als uitgangspunt te nemen, dichter bij de mensen. De richting ligt er dus al. De vraag is niet of het museum met de reflectiecollectie een andere kant op moet, maar hoe ver het wil gaan, en vooral waartoe. Die laatste vraag laat zich niet losmaken van een grotere: waar stáát het Zuiderzeemuseum voor, in deze tijd? De collectie maakt een museum relevant voor het vakgebied, maar het heden maakt het relevant voor het publiek. Musea gaan daarom tegenwoordig vrijwel altijd over nu. Het verleden is het materiaal waarmee we werken, niet het onderwerp. We vertellen over oude dingen om iets te zeggen over onze leefwereld en de tijd waarin wij staan.

Contact tussen mensen, niet tussen standpunten

Onze tijd lijkt er een te zijn waarin we tegenover elkaar zijn komen te staan. Klimaat, kunstmatige intelligentie, migratie, stikstof, polarisatie. De vraagstukken zijn groot, en ze drijven ons uit elkaar. Sommige musea reageren daarop door positie te kiezen, door te zeggen wáár je hoort te staan. Maar is dat de kracht of zelfs de rol van musea? Kan een museum bijdragen aan verandering door een kant te kiezen? Kan het overtuigde mensen op andere gedachten brengen met logica en nuance? Draagt een museum niet juist bij aan polarisatie als het probeert uit te dragen wat goed is en wat fout? Zo lang het de mensen trekt die het met je eens zijn valt het niet op, maar je wilt ook juist de anderen ontvangen. En dat geldt zeker voor een museum over het dagelijks leven.

Een museum kan ook iets anders doen dan een kant kiezen. Een museum kan de plek zijn waar we elkaar ontmoeten, waar het niet draait om meningen maar om kijken en ervaren. Waar mensen met verschillende overtuigingen en achtergronden voor hetzelfde ding komen te staan. Tegenstellingen slijten niet door betere argumenten. Ze slijten door contact tussen mensen, niet tussen standpunten. Door een verhaal te zoeken dat we allemaal herkennen. Door de ander niet weg te zetten als dom of gevaarlijk. En door nadrukkelijk te erkennen dat we het zelf ook niet zeker weten.

Over gewone mensen

Een museum is een plek van waarnemen. Het haalt een ding (of een verhaal) uit de wereld, zet het apart en geeft je de tijd om te kijken en te luisteren. Het vraagt geen mening en hoeft er ook geen te leveren. Je mag er stilstaan bij iets wat je niet meteen hoeft te begrijpen. Iemand hoeft je niet te vertellen wat je ervan moet vinden. Je mag er twijfelen, aarzelen, van gedachten veranderen. Liefde, geboorte, dood, arbeid en rouw, dat deelt de bezoeker met de onbekende die naast hem staat. Het dagelijks leven is van iedereen. Een collectie die daarover gaat, verzamelt geen standpunten maar raakvlakken.

Een museum verzamelt niet om te verzamelen. Het museum verzamelt om vast te leggen hoe wij ons verhouden tot onze tijd. Voor de reflectiecollectie ligt daar een opdracht. Een richting die het museum in de afgelopen jaren al steeds vaker heeft verkend. Geef opdrachten en verwerf werk dat het dagelijks leven invoelbaar maakt, dat toen en nu aan elkaar knoopt, dat een vraag stelt. En wat voor de collectie geldt, geldt voor het hele huis. De presentatie kan het enkele verhaal laten spreken. De activiteitenprogrammering kan bewust mensen samenbrengen die elkaar anders niet treffen. De communicatie kan een plek van ontmoeting beloven in plaats van een dagje uit.

En misschien ligt daar wel de opdracht voor kunstenaars en ontwerpers in het Zuiderzeemuseum. Niet de vorm van het verleden naspelen, maar de verhalen uit het dagelijks leven dichterbij brengen, de herkenning met onze overgrootouders versterken, en het verhaal van de Zuiderzee laten staan voor iets groters. De wandkleden van Studio RENS bewijzen dat het kan. Ze ontroeren niet alleen omdat ze mooi zijn, maar vooral omdat je weet dat het de rouw van Maritje Teerhuis is die je ziet.

Dat is geen pleidooi om het verleden te laten vallen en je rücksichtslos op het heden te richten. Het is eerder een oproep om de wortels van het museum te blijven opzoeken en te vragen wat zij ons nu te zeggen hebben. Een museum over het dagelijks leven gaat uiteindelijk niet over objecten, en ook niet over de tijdgeest, maar over gewone mensen die echt hebben geleefd.

De kleden zijn nog tot 25 oktober te zien in de Design Route van het Zuiderzeemuseum!

Foto’s: Lisa Klappe